X
GO

Afgelopen projecten 2011 -2010

Energiezuinig telen van bladgewassen (01/03/2009 - 28/02/2011)

Coördinator:

  • PSKW (Proefstation voor de Groenteteelt)

Ppartners:

  • PCG (Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt Oost-Vlaanderen)
  • WPIG (West-Vlaamse Proeftuin voor Industriële groenten)

      

Probleemstelling:
Momenteel weegt de energiekost zwaar door in de productie van bladgewassen. Ondanks het feit dat bladgewassen tot de koudere teelten behoren, wordt het energieverbruik tussen de 250 en 350 MJ/m²/jaar geraamd. 

Door de aanhoudende lage prijszetting komen heel wat bedrijven in financiële problemen. Recente berekeningen ramen de energiekost op een 0,14 euro per slakrop terwijl een gemiddelde prijs van 0,28 euro per slakrop in 2007 werd uitbetaald.

Doel:
Heel wat tuinders zijn genoodzaakt om energiebesparende maatregelen toe te passen. Op basis van de reeds opgedane ervaring in de warme kasteelten wordt in dit project getoond hoe de tuinder energiezuinig sla / bladgewassen kan produceren. De energiebesparende maatregelen mogen echter niet nadelig zijn voor de opbrengst en de kwaliteit (innerlijke en uiterlijke). De ziektedruk mag geenszins opgevoerd worden.

Volgende energiebesparende maatregelen zullen gedemonstreerd worden:

  • Drukken van het energieverbruik door 'koude tolerante' rassen te telen.
  • Drukken van het energieverbruik door installatie van een beweegbaar en een vast scherm.
  • Drukken van het energieverbruik door aanbrengen van een gewasafdekking.
  • Drukken van het energieverbruik door toepassen van een beredeneerde temperatuurverlaging.
  • Drukken van het energieverbruik door toepassen van een verlengde opkweek.

Naast de demonstratie van energiebesparende technieken zal voldoende aandacht besteed worden aan sensibilisatie: via de gangbare kanalen zal advies over de teelttechniek, de aandachts- en knelpunten verspreid worden.

Gedurende twee jaar zullen enkele energiebesparende technieken en methodes gedemonstreerd worden op zowel praktijkbedrijven als op de proefcentra. Het behoud van een goede productie en kwaliteit zal aangetoond worden door gedurende de teelt op regelmatige basis waarnemingen en metingen uit te voeren:

  •  Energiescherm:
    • Toepassing bewegend energiescherm.
    • Toepassing vast energiescherm.
  • Gewasafdekking
  • Beredeneerde temperatuurverlaging:
    • Temperatuurintegratie.
    • Temperatuurverlaging in de tweede teelthelft.
  • Koude-tolerante rassen.
  • Verlengde opkweek.

Meer info?
Sara Crappé
Aaike Bogaert

 

Kropsla energiezuinig telen 2011

Kropsla energiezuinig telen 2011

Temperatuursintegratie in kropsla onder glas 2011

Uit ADLO-project 'Energiezuinig telen van bladgewassen' kwam naar voor dat toepassen van temperatuursintegratie in glassla mogelijkheden biedt. Om deze resultaten te bevestigen werd opnieuw een proef aangelegd waarbij temperatuursintegratie wordt aangewend om een energiebesparing te verwezenlijken in een winterteelt.

donderdag 15 december 2011/Auteur: Anonym/Aantal keer bekeken (3329)/Commentaren (0)/
Kropsla teelttechniek (energie) vroege lente 2010

Kropsla teelttechniek (energie) vroege lente 2010

Teelttechnische proef sla vroege lenteteelt: energiebesparing door verlengde opkweek 2010

Is het zinvol om de te zaaien in een grotere perspotmaat om zo later te kunnen planten en een besparing op de energiekost te verwezenlijken? Onderzoek met de rassen Gardia (Rijk Zwaan), Hilton (Enza), Motivo (Syngenta) gezaaid in een perspotmaat van 5 cm en van 6 cm.

woensdag 15 december 2010/Auteur: Anonym/Aantal keer bekeken (3669)/Commentaren (0)/
Kropsla teelttechniek (energie) vroege lente 2010

Kropsla teelttechniek (energie) vroege lente 2010

Teelttechnische proef sla vroege lenteteelt: energiebesparing door aanbrengen vast scherm 2010

Is het zinvol is om in de serre een vast schermdoek aan te brengen om zo te besparen op de energiekost?Teelttechnisch onderzoek met de rassen kropsla werden gezaaid: Arcadia (Rijk Zwaan), Fidel (Nunhems), Gardia (Rijk Zwaan), Hilton (Enza), LS 8220 (Syngenta), LS 8227 (Syngenta), Motivo (Syngenta), Tonava (Syngenta).

woensdag 15 december 2010/Auteur: Anonym/Aantal keer bekeken (3370)/Commentaren (0)/
RSS

Introductie precisielandbouw in de openluchtgroenteteelt (01/03/2010 - 31/12/2011)

Coördinator:

  • PCG (Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt Oost-Vlaanderen)

Projectpartners:

  • WPIG (West-Vlaamse Proeftuin voor Industriële Groenten)
  • PSKW (Proefstation voor de Groenteteelt) 
  • NPW (Nationale Proeftuin voor Witloof)
  • PCLT (Praktijkcentrum voor Land- en Tuinbouw), levert technische ondersteuning.

  

Precisietechnieken toepassen in de vollegrondsgroenteteelt kan heel wat voordelen bieden. Ervaringen uit de akkerbouwteelt wijzen in ieder geval in die richting. Praktijkcentra slaan de handen in elkaar om de implementatie van precisielandbouw in vollegrondsgroenten te demonstreren. Voor dit project zal op vrijdag 26 augustus 2011 een studie- en demodag georganiseerd worden met als thema 'Efficiënter en duurzamer telen met gps'. Dit zal plaatsvinden op de terreinen van de Internationale Werktuigendagen te Oudenaarde (Heurne).

Achtergrond en motivatie
Satellietplaatsbepaling of GNSS (Global Navigation Satelite System) kan een grote invloed uitoefenen op de bedrijfsvoering en het rendement van een bedrijf. In praktijk wordt meestal gesproken over gps (Global Positioning System). Het Amerikaanse gps is momenteel het best gekende GNSS-systeem. Daarnaast bestaat er ook het Russisch GNSS-systeem Glonass en de Europese Unie werkt aan Galileo.

Toepassingsmogelijkheden van gps werden reeds uitgebreid onderzocht in de akkerbouw. De meeste praktijktoepassingen zijn, zowel in België als in het buitenland, dan ook terug te vinden in de akkerbouw. De meerderheid van de huidige gebruikers is enthousiast over de bestaande systemen vanwege de verlichting van het werk, een betere kwaliteit van het werk, arbeidsbesparing en een toename van werkbare tijd. Nederlands onderzoek (PPO, Wageningen) toont dat de investering in gps-technologie in intensieve teelten sneller wordt terugverdiend dan in extensieve. Aangezien de vollegrondsgroenteteelt in Vlaanderen een grote toegevoegde waarde bezit en meestal meer arbeid eist dan de akkerteelt, is het zinvol deze vorm van precisielandbouw ook hier te introduceren.

Belangrijke voordelen zijn besparingen op gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, brandstof en tijd. Rijbanen worden bijvoorbeeld in de computer opgeslagen en bij een volgende bewerking opnieuw gebruikt om trekker en werktuig over dezelfde sporen te laten rijden. Zo wordt nauwkeuriger geschoffeld en efficiënter gespoten en bemest. Brandstof wordt bespaard doordat er niet recht in een werkgang hoeft te worden gereden. Werkgangen kunnen worden overgeslagen waardoor minder verstookt wordt bij het manoeuvreren. Ook tijd wordt uitgespaard, bijvoorbeeld doordat rijsporen bij bespuiten en bemesten niet van te voren hoeven worden uitgezet, of doordat een tractorchauffeur kan worden uitgespaard. Daarnaast is het ook mogelijk administratie en perceelsregistratie uit te voeren van op de tractor.

Studie- en demodag
Voor dit project zal op vrijdag 26 augustus 2011 een studie- en demodag georganiseerd worden met als thema 'Efficiënter en duurzamer telen met gps'. Dit zal plaatsvinden op de terreinen van de Internationale Werktuigendagen te Oudenaarde (Heurne).

De dag zelf bestaat uit volgende onderdelen:

  • Studiemoment:
    Omdat er in sneltempo gps-gerelateerde toepassingen en diensten ontwikkeld en aangeboden worden, is het onduidelijk welke waarde en betekenis deze toepassingen hebben. Als eerste komt een overzicht van de beschikbare toepassingen en diensten aan bod. De focus wordt daarbij gelegd op de meest nauwkeurige systemen met minder dan 10 cm afwijking.
    We hechten veel waarde aan praktijkervaring. Daarom worden ook enkele landbouwers aan het woord gelaten. Zij zullen voor hun bedrijf en methode van bedrijfsvoeren alle voor- en nadelen op een rijtje zetten. Voor het gebruik van gps-systemen moet de ondernemer extra investeren. De vraag is of deze investeringskosten ook worden terugverdiend. Een economische indicatie van het rendement is daarom gewenst.
  • Demomoment:
    Geen oorlog zonder wapens, geen voorlichtingsmoment zonder demonstratie! Voorbeelden van mechanische onkruidbestrijding, bandbespuiting, zaaien in grillige patronen, enz. zullen na het studiemoment te velde worden gedemonstreerd.
  • Contactmoment:
    Als afsluiter wordt een beurs georganiseerd waarbij verschillende firma’s aanwezig zullen zijn. Een ideaal moment om systemen te vergelijken en een antwoord te vinden op onbeantwoorde vragen.

Meer info?
Anneleen Volckaert

 

GPS in de groenteteelt: video’s met diverse toepassingen

GPS in de groenteteelt: video’s met diverse toepassingen

Video’s met diverse toepassingen ivm het gebruik van GPS in de groenteteelt - 26.08.2011

Op de studie- en demodag 'GPS in de groenteteelt' op 26 augustus 2011 in Oudenaarde werden tijdens het studiegedeelte ervaringen van groentetelers verduidelijkt aan de hand van video’s die op het bedrijf waren gefilmd.

vrijdag 26 augustus 2011/Auteur: PCG openluchtteam/Aantal keer bekeken (10162)/Commentaren (0)/
Bezoekersgids GPS in de groenteteelt

Bezoekersgids GPS in de groenteteelt

Studie- en demodag op de terreinen van IWD - 26.08.2011

Bezoekersgids Studie- en demodag: "Gps in de groenteteelt" - vrijdag 26 augustus 2011 op de terreinen van de Internationale Werktuigendagen te Oudenaarde (Heurne).

donderdag 26 augustus 2010/Auteur: PCG openluchtteam/Aantal keer bekeken (8553)/Commentaren (0)/
RSS

Maximale energiebesparing in vruchtgroenten: vergelijking en optimalisatie van energiebesparende maatregelen (01/01/2009 - 31/12/2010)

Coördinator:

  • PCH (Proefcentrum Hoogstraten)
Partners:
  • PCG (Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt Oost-Vlaanderen)
  • PSKW (Proefstation voor de groenteteelt vzw, Sint-Katelijne-Waver)

Doel
Voor de teelten paprika, tomaat en komkommer een overzicht te maken van de energiebesparende maatregelen die Vlaamse bedrijven gepland hebben voor het teeltseizoen 2009. Hiermee wordt al gestart vóór de aanvang van het project om bij goedkeuring van het voorstel zo snel mogelijk van start te kunnen gaan. 


De glastuinbouw is een agrarische sector waar een belangrijke hoeveelheid energie wordt gebruikt. Van alle energieverbruik in de Vlaamse land- en tuinbouw neemt de glastuinbouw meer dan 60 % voor zijn rekening (figuur 1); dit brengt milieubelasting met zich mee. De Vlaamse glastuinbouw wil zich echter profileren als een economische sector die duurzaamheid hoog in het vaandel heeft staan.


Figuur 1: Energieverbruik Vlaamse land- en tuinbouw 2004
Bron: Vito

Een onderdeel van de milieubelasting is het verbruik van fossiele brandstoffen en de daarbij horende uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. Binnen het Vlaamse Klimaatbeleidsplan worden dan ook doelstellingen en indicatoren voor de Vlaamse glastuinbouw vooropgesteld zoals o.a. een verhoging van het aandeel aardgas en andere duurzamere energiebronnen, een vermindering van de uitstoot door de toepassing van energiebesparende technieken en de verhoging van het WKK-vermogen via gas- en dieselmotoren.

Investeren in andere brandstoffen of in een WKK-toepassing is echter niet elke glastuinder gegeven. Vooral de kleine en middelgrote bedrijven kunnen dergelijke zware investeringen niet dragen en niet op alle locaties zijn de mogelijkheden voor aansluiting voorhanden. Op deze bedrijven moet dan ook maximaal ingezet worden op het toepassen van energiebesparende maatregelen.

Het aandeel van energie in de productiekost van vruchtgroenten is de laatste jaren door de sterk stijgende energieprijzen erg toegenomen. In de tomatenteelt bedroeg de energiekost in 2002 gemiddeld ongeveer 7,5 euro per vierkante meter, in het voorjaar van 2008 was dit meer dan verdubbeld tot ongeveer 17 euro per vierkante meter (Figuur 2), wat een aandeel van ongeveer 45 procent van de kostprijs vertegenwoordigt.

Deze evolutie is onhoudbaar. Veel telers hebben al maatregelen genomen om deze toegenomen kost te reduceren. Bij een groep bedrijven is dit mogelijk via het plaatsen van een WKK of een andere, goedkope energiebron. Deze aanpassingen gaan echter altijd gepaard met aanzienlijke investeringen en zijn vaak enkel voor grotere bedrijven (groter dan 2 ha) haalbaar of rendabel. Deze bedrijven slagen erin om hun energiekost sterk terug te dringen, in het geval van WKK mede door de verkoop van de geproduceerde elektriciteit en de inkomsten van certificaten.

Een andere groep van bedrijven kan om verschillende redenen niet overgaan tot een andere energievoorziening:

  • De onmogelijkheid om elektriciteit op het net te plaatsen.
  • De oppervlakte van het bedrijf is te beperkt om een grote installatie (WKK, houtverbranding) rendabel te rekenen.
  • Er is onvoldoende investeringsruimte.
  • Om nieuwe technieken zoals WKK te implementeren, moeten er teveel investeringen gebeuren om de verouderde serre-infrastructuur aan te passen.
  • ...

Deze bedrijven trachten door energiebesparingen via het gebruik van schermen, kouder telen, later opplanten, vroegere teeltbeëindiging, e.d. hun energiekost terug te dringen. Ondanks deze vele energiebesparende maatregelen steeg de energiefactuur in de loop van 2007 toch met 9 procent (Persnota Boerenbond, 20 dec. 2007)

Verder wordt een tweespalt gecreëerd tussen de bedrijven die een WKK kunnen plaatsen en hierdoor de kosten opnieuw onder controle krijgen en diegene die dit door omstandigheden niet kunnen. Deze laatste bedrijven zijn veel minder concurrentieel en worden beknot in hun verdere ontwikkeling door de zware last die energie op dit moment betekent.

Op deze bedrijven dringt een verder doorgedreven energiebesparing zich op. Via intensief overleg en begeleiding slagen telers er mogelijk wel in om maximaal rendement te puren uit de (beperkte) mogelijkheden die ze hebben.


Figuur 2: Evolutie van de gemiddelde energiekost van een tomatenbedrijf met een gemiddelde gascontractformule
Bron: Boerenbond, "Knelpunten in de Vlaamse tuinbouw", juni 2008, eigen berekeningen boerenbond


Figuur 3: Prijsverloop per maand van lichte en extra zware olie (inclusief taksen, exclusief BTW) van 2000 tot april 2008.
Bron: Boerenbond, "Knelpunten in de Vlaamse tuinbouw", juni 2008


Figuur 4: Evolutie van de gemiddelde gasprijs op bedrijfsniveau van 2004 tot april 2008
Bron: Boerenbond, "Knelpunten in de Vlaamse tuinbouw", juni 2008, eigen berekeningen Boerenbond.

Uit dit overzicht wordt een selectie gemaakt van een aantal bedrijven per teelt. Deze bedrijven worden gecontacteerd en gevraagd voor deelname. De focus zal vooral gericht worden op volgende technieken:

  • Gebruik van dubbel scherm: het betreft hier zowel de combinatie van een beweegbaar met een vast scherm als twee beweegbare schermen.
  • Teeltverschuiving: er zal gezocht worden naar bedrijven die omwille van energiebesparing de teelt later opstarten en/of vroeger eindigen. Ook de vergelijking met middelvroege teelt kan gemaakt worden.
  • Gebruik van een gevelscherm.
  • Zonneboiler.
  • Energiezuinige klimaatsturing.
  • ...

Deze lijst is helemaal niet limitatief, indien naar voor komt dat er andere, belangrijke acties zullen worden ondernomen, zullen deze eveneens opgenomen worden. Deze lijst zal ook opnieuw geëvalueerd worden vóór aanvang van het teeltseizoen van 2010.

Er zullen in totaal een 30- tal bedrijven worden geselecteerd. Op de deelnemende bedrijven zal een monitoring worden uitgevoerd van een aantal onderdelen:

  • Energieverbruik, zowel voor verwarming als elektriciteit.
  • Temperatuursgegevens (Dag/Nacht en Etmaal, indien mogelijk ook minimum en maximumtemperaturen).
  • Productieverloop.

Voor de teelten paprika, tomaat en komkommer zal een overzicht gemaakt worden van de energiebesparende maatregelen die Vlaamse bedrijven gepland hebben voor het teeltseizoen 2009.
Er zullen in totaal een 30- tal bedrijven worden geselecteerd, het doel is om per teelt een groep te selecteren met een minimale grootte van :

  • Bioteelt : 5 bedrijven.
  • Komkommer: 5 bedrijven.
  • Paprika: 10 bedrijven.
  • Tomaat : 10 bedrijven.

Er wordt een opvolging gedaan van teeltverloop, kwaliteit, impact van de acties op werking van het bedrijf, …
De resultaten van deze monitoring worden door de proefcentra verwerkt en voorbereid voor een telers-discussieforum, dat per teelt tweemaal per jaar zal plaatsvinden.

Hierin zal een uitgebreide bespreking en doorlichting van de resultaten gebeuren. Deze fora worden voorbereid en begeleid door de mensen van de betrokken proefcentra. Indien nodig of gewenst, kan ook een externe voorlichter of expert in deze vergaderingen worden uitgenodigd.

Eenmaal per jaar zal ook een overleg over de verschillende teelten heen worden gepland. Vermoedelijk kunnen heel wat energiebesparende acties in de verschillende teelten worden aangewend waardoor informatie-uitwisseling over de teelten heen eveneens nuttig is.

Om de resultaten naar het grote publiek over te brengen, worden een aantal demonamiddagen met bedrijfsbezoeken voorzien.

Meer info?
Elise Vandewoestijne

 

Optimaal gebruik van dierlijke mest in de vollegrondsgroententeelt (01/03/2008 - 28/02/2010)

Coördinator:

  • West-Vlaamse Proeftuin voor Industriële groenten (WPIG)

Partners:

  • PCG (Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt Oost-Vlaanderen)
  • PSKW (Proefstation voor de Groenteteelt te Sint-Katelijne-Waver)

    

Inhoud
Het gebruik van dierlijke, organische mest is eigen aan de groenteteelt. Het is voor een landbouwer niet altijd evident om de optimale bemesting in te schatten. Vooral in de groenteteelt heerst de vraag hoe men volledig organisch kan bemesten zonder in de problemen te komen met de nitraatresidu-normen. Daarnaast leeft de vraag hoe de stikstofgift uit dierlijke mest kan beperkt worden zonder veel in te boeten op productie of kwaliteit.

Enerzijds is door het gemengde karakter van veel bedrijven, meestal een hoog aanbod van dierlijke mest aanwezig. Op dergelijke bedrijven werden de meeste percelen in het verleden, nog voor er van een mestactieplan sprake was, veelvuldig rijkelijk organisch bemest. Bovendien blijven na de teelt van de meeste groenten zeer veel oogstresten op het veld achter. Deze beide factoren zorgen ervoor dat zeer veel van deze velden momenteel een zeer grote mineralisatie vertonen tijdens de zomer vanuit het onstabiel organische materiaal. Stikstofvrijstelling in dergelijke bodems tijdens de zomer tot 2 kg / ha / dag zijn geen uitzonderingen. De relatie van de stikstofvrijstelling met het koolstofgehalte in deze bodems is onvoorspelbaar en hangt in sterke mate af van de bodemomstandigheden (vocht, temperatuur, structuur). Als op deze velden nog steeds de norm voor organische bemesting wordt ingevuld, dan is het vrij logisch dat de residunorm in het najaar moeilijk kan worden gehaald.

Anderzijds wordt vastgesteld dat op bedrijven zonder veeteelt, organische mest minder of helemaal niet meer wordt aangewend, om gemakkelijker de residunorm in het najaar te kunnen halen. Op uitdrukkelijk vraag van de sector werd dit trouwens mogelijk gemaakt door het laten vervallen van het tussenschot in de bemestingsnormen voor groenten, waardoor het voor vollegrondsgroententelers mogelijk werd alle stikstof uit kunstmest toe te dienen. Hierdoor wordt bij de gemengde bedrijven de druk om op eigen gronden organisch dierlijke mest af te zetten nog vergroot. Er loopt trouwens een sectorstudie voor de bepaling van het bemestingsgedrag en de acceptatiegraden voor dierlijke mest ter ondersteuning van een verbeterde mestafzet (Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen, Ugent, Vakgroep Landbouweconomie).

Het project zal middels demoproeven op een 7 tal velden verspreid over Vlaanderen beide groepen van telers dichter bij elkaar proberen te brengen, door op een demonstratieve wijze het optimale gebruik van dierlijke organische mest toe te lichten.

De proefcentra PCG (Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt, Kruishoutem), POVLT (Provinciaal Onderzoek- en Voorlichtingscentrum voor Land- en Tuinbouw, Rumbeke-Beitem) en PSKW (Proefstation voor de Groenteteelt, Sint-Katelijne-Waver) zullen ingeschakeld worden om de drie belangrijkste gebieden met intensieve openluchtgroenteteelt te bestrijken. Daarmee zijn tevens ook de meeste probleemgebieden inzake nitraatuitspoeling opgenomen in het demonstratieproject.

In een eerste fase zullen in de West-Vlaamse regio (grootste probleemregio inzake dierlijke mestproductie en intensieve vollegrondsgroenteteelt) een drietal professionele vollegrondsgroentetelers en in de Oost-Vlaamse en Antwerpse regio telkens een tweetal professionele vollegrondsgroentetelers worden geselecteerd, waarvan de voorgeschiedenis van hun velden in voldoende mate is gekend.  Hiertoe zal in het najaar van 2007 de nodige bevraging bij verschillende telers gebeuren, waarbij hun bevindingen zullen worden getoetst aan de resultaten van een bodemanalyse van door hen als geschikt voorgestelde percelen. Bedoeling is per regio een aantal velden te selecteren, waarvan de mineralisatiekarakteristieken min of meer kunnen worden ingeschat, gebruik makend van onderstaand schema en van de kennis van de teler:

Tabel : Netto N-mineralisatie (kg N per ha en per dag) afhankelijk van de voorgeschiedenis van het veld (Demyttenaere, 1991)

Teeltrotatie                  Organischestofvoorziening (1)   N-mineralisatie kg N per ha en dag
  
Intensieve groenten                    laag                              0,90 - 1,10
Intensieve groenten                    matig                            1,10 - 1,30
Intensieve groenten                    hoog                             1,50 - 1,70

(1) Toegediend in het verleden (organische mest, oogstresten)

Na selectie van de zeven velden, zullen op elk van deze percelen gedurende twee opeenvolgende jaren hiernavolgende bemestingsstrategieën in stroken worden aangelegd:

  1. 1. strook volledig bemest met minerale meststoffen.
  2. 2. strook met maximale invulling van dierlijke mest = 170 E totale N uit dierlijke; dit object kan, indien nodig, aangevuld worden met minerale bemesting volgens de behoefte van de teelt/bodemcombinatie. Hiervoor zal gebruik gemaakt worden van de eigen expertise, aanwezig op de drie proefcentra.
  3. 3. voor deze strook zullen een aantal opties in overleg met de projectgroep op de eerste vergadering geëvalueerd en dan definitief bepaald worden.
  4. 4. een beperkte onbemeste en onbeplante strook.

De stroken 1, 2 en 3 worden in de plantrichting aangelegd op een voldoende lange afstand (40 meter) en zullen 8-10 m breed zijn (twee werkgangen van injecteur breed). In de periferie worden strook 4 aangelegd. Er zal aan de teler gevraagd worden de hoeveelheid en de soort bemesting volgens eigen gewoonte uit te voeren op de rest van het perceel. Er zal eveneens gevraagd worden een nauwkeurige registratie bij te houden van de soort bemesting, het toedieningstijdstip, de toedieningswijze en de hoeveelheid.

Als organische dierlijke mest wordt gekozen voor mestvarkensdrijfmest. De toediening zal gebeuren door injectie vóór het ploegen, gevolgd door diep inwerken met cultivator.

Stroken 1 en 2 worden bemonsterd om de 14 dagen en dit op drie diepten (0-30; 30-60 en 60-90 cm). Strook 3 zal maandelijks worden bemonsterd, ook in geval er twee opeenvolgende teelten op hetzelfde veld worden geteeld. Om de stikstofdynamiek (mineralisatie) in de bodem op te volgen zal om de 14 dagen een grondstaal op drie diepten (0-30; 30-60 en 60-90 cm) genomen worden in de strook 4. De laatste analyse zal duidelijk aantonen hoeveel reststikstof er in de bodem blijft zitten die gedurende het najaar en de wintermaanden bijna volledig kan uitspoelen. Ook het perceel dat de teler heeft bemest zal op het einde van het jaar worden bemonsterd.

Na de teelt in het eerste jaar, zal, indien mogelijk, een groenbemester worden ingezaaid om het residu aan stikstof zo veel als mogelijk te beperken en uitspoeling van nitraatstikstof tijdens de winter te vermijden. De keuze van groenbemester zal worden bepaald in functie van de mogelijke inzaaidatum, gebruik makend van beschikbare kennis.

In het tweede jaar van het demonstratieproject zal op hetzelfde veld dezelfde werkwijze gevolgd worden als in het eerste jaar.

De proeftuinen maken gebruik van het 'Kulturbegleitenden Nmin Sollwerte (KNS)-system' aangevuld met eigen kennis over bepaalde teelten. Onderzoekers uit Rheinland-Pfalz hebben voor de meeste groenten zowel de N-opname als het opnameverloop tijdens de teelt in kaart gebracht. Bij deze methode ligt de opname en het opnameverloop van stikstof door een bepaald gewas en de minimum voorraad aan minerale stikstof (de bodembuffer) aan de basis. Omdat mineralisatie uit organisch materiaal en de uitspoeling zeer moeilijk zijn in te schatten werkt men met een bijbemesting later in de teelt op basis van een N-mineraal bepaling van de bodem. Ook de hoeveelheid stikstof voor de basisbemesting wordt bepaald aan de hand van een bodemanalyse. Door later in de teelt een nieuwe bodemanalyse uit te voeren, houdt men rekening met de mineralisatie en eventueel uitspoeling voorafgaand aan de analyse. Met deze tussentijdse analyses is het mogelijk te starten met een lage startbemesting. Indien mogelijk, zal ook gebruik gemaakt worden van band- en rijenbemesting.

De bepalingen van minerale stikstof in de bodem voor de proeven gecoördineerd door het PSKW, PCG en POVLT gebeuren met de SFA-techniek ('Segmented Flow Analyser').

Om aan te tonen dat er geen opbrengstverliezen optreden door gebruik te maken van een beredeneerde stikstofgift ten opzichte van het door de teler zelf bemeste deel, zal bij de oogst van elk gewas de opbrengst en de kwaliteit nagegaan worden. Hiervoor zullen enkele relevante parameters tijdens de beoordeling opgenomen worden, afhankelijk van de teelt.

De resultaten van de 14-daagse minerale stikstofmetingen in de bodem zullen worden geïnterpreteerd en geresumeerd on-line voorgesteld worden ten behoeve van de telers via de website www.stikstofmeetnet.be. Hiertoe zal een overzichtsrubriek op verschillende beschikbare websites worden opgericht, zodat alle telers onbeperkt toegang hebben op het verloop van de mineralisatie op de verschillende bodems betrokken in het demoproject tijdens het seizoen. Deze informatie, samengevat in de vorm van een stikstofmeetnet, moet telers in staat stellen zich een idee te vormen van de bodemvoorraad aan stikstof op verschillende bodemtypes gedurende gans het seizoen, zonder zelf een bodemstaal te moeten nemen. In zekere zin, naar analogie met waarnemingen en waarschuwingen voor ziekten en plagen, zal het telers berichten wanneer het dan wel aangewezen is een bodemstaal te nemen om hun eigen veldspecifieke mineralisatieomstandigheden, in kaart te brengen. De informatie zal geplaatst worden op de websites van de drie deelnemende proefcentra en indien de betrokkenen zich kunnen akkoord verklaren ook op de websites van de LAVA veilingen, Ingro en VeGeBe. Op regelmatige basis zal door een reeks van artikels rapportering gebeuren in de vakpers.

Meer info?
Luc De Reycke