X
GO

Actueel nieuws

Tomaat bemesting compost (fosfor) 2017

Tomaat bemesting compost (fosfor) 2017

Praktijkgerichte oplossingen voor organische stofopbouw in biologische landbouw onder MAP5: beschutte teelt tomaat 2017

Auteur: Lauwers Lore/vrijdag 15 december 2017/Categorieën: Bio_beschutte_teelt, Vruchtgroenten_BIO, tomaat_BIO, Projecten, Vlaamse Overheid, Dept. L en V, BIOS, Thema, bemesting, Bodem, Voorlichting, proefverslag, projectinfo, Proefverslag, Niet-leden

Kastelers die willen omschakelen naar biologische teelt streven ernaar hun bodem in een zo kort mogelijke tijdspanne klaar te krijgen voor een robuuste teelt. Zeker voor telers die een verkorting van de omschakelingsperiode kregen en die intensief vruchtgroenten willen gaan telen, is dit een hele uitdaging. De bodem onder plastiek heeft vaak een laag organische stofgehalte, weinig voedingselementen en weinig bodemleven. 

Er is een ruim aanbod van compostsoorten op de markt, elk met een bijhorend prijskaartje. Dewelke nu het meest aangewezen is, is echter niet gekend. Binnen het demonstratieproject “Praktijkgerichte oplossingen voor organische stofopbouw in biologische landbouw” zijn zes soorten compost met elkaar vergeleken. Biologische vruchtgroentetelers werken vaak met grote hoeveelheden groencompost. Op termijn geeft dit een geleidelijke pH stijging. Deze pH terug naar beneden brengen is in biologische teelt niet eenvoudig. Om die reden waren we op zoek naar een compost met hoog OS-gehalte en niet al te hoge pH. De biologische kleinfruitsector deed reeds experimenten met elementaire zwavel om te verzuren. Met dit als achtergrond werd er eveneens een eerder experimenteel object opgestart: de gecomposteerde paardenmest met een hoog organische stof gehalte werd aangereikt met elementaire zwavel om zijn pH te doen dalen. De geleverde compostsoorten moeten ook vrij zijn van onkruidzaden, ziekten en plagen; mag geen hoog fosforgehalte bevatten en niet zorgen voor een oplopend zoutgehalte op termijn. Beschutte teelt valt nog niet onder de fosforbemestingsnormen van MAP 5 maar het is wel belangrijk om zo verantwoord mogelijk te telen.

De proeven lagen in 2016-2017 aan op 2 praktijkbedrijven die omgeschakeld zijn van substraatteelt vruchtgroenten naar biologische vruchtgroenten. In dit verslag zijn de gegeven van de tomatenteler verzamelt. Hij is reeds in 2015 omgeschakeld naar bio en teelde nu het tweede jaar in de bodem die 30 jaar onder plastiek gelegen heeft.

Binnen de proef is de dosering van de basisbemesting gelijkgesteld op een toediening van 6 ton C/ha. Voorafgaande aan de proef alsook op het einde ervan zijn bodemstalen genomen om het effect van de compostsoorten op de bodemkwaliteit en samenstelling te bekijken. Tussentijds zijn er ook bodemstalen genomen voor analyse van minerale N om de bijbemesting op af te stellen. De oogstgegevens zijn bijgehouden door de telers. Al de resultaten worden vergeleken met het blanco-object dat geen composttoediening ontving.

 

Bespreking
Objecten
De dosis van de toegediende composten is gelijkgesteld op 6 ton OC/ha. De samenstelling van de verschillende compostsoorten staan weergegeven in tabel 2. De gecomposteerde paardenmest alsook de groencompost van De Winter bevatten het grootste organische stofgehalte waardoor deze over de laagste dosering per are beschikken. In tabel 3 staan de effectief toegediende elementen door de verschillende compostsoorten weergegeven. Hier zien we dat de hoeveelheid stikstof per hectare het grootste is bij de wormencompost gevolgd door groencompost van De Winter en de champost. De wormencompost wordt door PUR VER® zelf nooit aan dergelijke hoge dosissen geadviseerd. Het PCG wou het product graag bij in de proef. De dosering is toegepast aan 6 ton OC/ha wat de toegepaste dosis bij PUR VER® verklaard. De gecomposteerde paardenmest heeft een aanrijking met elementair zwavel gekregen omdat de pH initieel aan de hogere kant lag. Wat niet ideaal is omdat de bodem pH hierdoor op lange termijn kan verhogen. De proef ligt aan bij een bioteler die in 2015 is omgeschakeld. Er wordt nu voor een tweede groeiseizoen in de bodem geteeld nadat deze 30 jaar onder plastiek gelegen heeft.

In tabel 3 staat ook de C/N verhouding weergegeven. De gecomposteerde paardenmest heeft een hoge C/N verhouding in vergelijking met de andere compostsoorten. 
De groencompost van Acterra, groencompost van De Winter en uitgerijpte biostimulator groenkeurcompost hebben een hogere N/P2O5 verhouding. Binnen MAP5 gelden fosforbemestingsnormen waardoor het interessant is om compostsoorten te gebruiken met een hoge C/P2O5 en een hoge N/P2O5. Op die manier is het mogelijk te blijven inzetten aan de koolstofopbouw in de bodem. MAP 5 is nog niet van toepassing voor beschutte teelt maar het is wel belangrijk een evenwichtsbemesting voor fosfor en andere elementen na te streven.

Wormencompost en Champost zorgen bij een toepassing van 6 ton C per ha voor een hogere toediening van P2O5, K2O, MgO en CaO dan de andere compostsoorten. Voor Na2O is dit ook naast de wormencompost en champost zo voor de gecomposteerde paardenmest. 
In bijlage 1 staan foto’s van de verschillende compostsoorten. De wormencompost is zeer licht materiaal dat makkelijk verspreid wordt. De uitgerijpte biostimulator groenkeurcompost is een zwaardere compost om toe te dienen.

 

Bodemanalyses 
Tabel 4 en 5 geven de pH, EC, TOC (totaal organisch koolstof) en N totaal analyses weer van de bodemstalen die aan het begin en het einde van de proef genomen zijn geweest. Hierbij zien we dat de pH bij de gecomposteerde paardenmest aangereikt met zwavel wat gedaald is tov de referentie (object 1, geen composttoediening). Wat het effect is van de elementaire zwavel. De EC-waarde van de bodem is minder gestegen bij de wormencompost toediening dan zonder composttoediening. Bij de groencompost van De Winter is de EC gelijkaardig gestegen als de referentie en bij de andere compostsoorten is de EC-waarde meer toegenomen dan de referentie. Bij de N-totaal zijn geen verschillen merkbaar tussen de objecten. De evolutie van de andere nutriënten staat weergegeven in tabel 6.

De bodemanalyses voor bijbemesting staan weergegeven in tabel 7. De wormencompost geeft de eerste maand veel stikstof vrij in de bodem. Bij de champost is nog een langere stikstofnalevering zichtbaar in de analyses. Er is getracht om de bijbemestingen gelijkaardig over de objecten heen te houden (tabel 8). Bij de start is er wel gecompenseerd voor de grotere hoeveelheid N die in de wormencompost reeds aanwezig is. Er is minder N-bijbemesting nodig bij champosttoediening (figuur 1). 

 

Gewas, oogst en bewaring
De gewasbeoordeling leverde geen grote verschillen op tussen de compostsoorten en het referentieobject (tabel 9). De oogstgegevens liggen gedurende de volledige teelt dicht bij elkaar (figuur 2). Vanaf augustus bekomen de toepassing van champost en wormencompost hogere oogstgegevens dan het referentieobject maar deze kunnen niet statistisch onderbouwd worden (tabel 10). Er zijn geen statistische verschillen teruggevonden in het vruchtgewicht tussen de compostsoorten en het referentieobject alsook niet tussen de compostsoorten onderling (tabel 11). In de bewaring zien we dat 24 dagen na oogst de tomaten met toepassing van uitgerijpte biostimulator groenkeurcompost iets minder stevig zijn en iets minder scoren op houdbaarheid als de referentie. De groencompost De Winter scoort even goed op houdbaarheid als de referentie. De andere compostsoorten scoren iets beter dan de referentie op houdbaarheid, hoewel de verschillen klein zijn.

 

Besluit
De 6 verschillende compostsoorten zijn bij de leveranciers steeds besteld per m³. Er zit een groot verschil in inhoud en prijs tussen de compostsoorten. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de wormencompost van PUR VER® nooit aan dergelijke hoge dosissen geadviseerd wordt door het bedrijf zelf.

Na een eenmalige toediening van 6 ton OC/ha van de verschillende compostsoorten zijn er nog geen grote verschillen in organisch koolstofgehalte van de bodem op te merken tussen de objecten en de referentie (geen composttoediening). De proef lag aan op een perceel waar reeds een jaar composttoediening is toegepast door de teler. Het is interessant om een herhaling van de proef uit te voeren. Eenmalige toediening van de verschillende compostsoorten geeft wel al een trend in de EC-waarde van de bodem. Wormencompost zorgt voor een mindere stijging in EC-waarde dan de referentie. De andere compostsoorten zorgen voor een gelijke of hogere toename van de EC-waarde. De bodem-pH kan verlaagd worden door toepassing van elementair zwavel. Een goede dosering is daar belangrijk. 

De compostsoorten hebben in deze proef geen statistische invloed op de opbrengstcijfers en bewaring. Er is een trend dat de wormencompost en champost zorgen voor een iets hogere opbrengst bij de tomaten maar dit kon niet statistisch aangetoond worden. 

Steeds waakzaam zijn bij mestsoorten waarbij de dieren gevoederd worden met hooi. Het gevaar bestaat dat het hooi behandeld is met aminopyralide of chlopyralide. Een analyse van de compost kan uitsluitsel brengen. Maar dit is vrij kostelijk en het blijft een moeilijkheid om het volledig uit te sluiten. Zowel als teler, als als composteerbedrijf waar de mest van verschillende leveranciers afkomstig is.

 

 

Samenwerking
De proef lag aan in kader van het demonstratieproject ‘Praktijkgerichte oplossingen voor organische stofopbouw in biologische landbouw onder MAP5’.

publicatiejaar2017
afdelingBiologisch glas
Teelt of thema
  • Tomaat
Print

Aantal keer bekeken (5108)/Commentaren (0)

Documenten

Links

x