X
GO

Actueel nieuws

Pruimtomaat bemesting bioteelt 2014

Pruimtomaat bemesting bioteelt 2014

Oriënterende bemestingsproef bio pruimtomaat: plantaardig versus dierlijk, afstellen van bemesting op behoefte gewas 2014

Auteur: PCG bio beschutte teelt PCG bio beschutte teelt/maandag 15 december 2014/Categorieën: Bio_beschutte_teelt, Vruchtgroenten_BIO, tomaat_BIO, Projecten, Vlaamse Overheid, Dept. L en V, OBIT, Thema, bemesting, Voorlichting, proefverslag, projectinfo, Actueel, Proefverslag, Niet-leden

Gedurende drie jaar ligt een bemestingsproef aan op het PCG in biologische vruchtgroenten. Deze demonstratieve proef in twee kleine afdelingen, dit jaar in pruimtomaat, heeft als doel de dierlijke en plantaardige vormen van bemesting te vergelijken met elkaar. Ook wordt er bekeken of aan de hand van bladsapanalyses de bemesting nauwer kan afgestemd worden op de behoefte van de plant.

 

Bespreking
Opbrengst, gewas, kwaliteit
Wanneer de opbrengst vergeleken werd tussen de verschillende objecten, kon ook deze keer geen noemenswaardig verschil opgemerkt worden. Het 0-object gaf zelfs een licht positieve trend, samen met het object sojaschroot; de objecten moutkiemen en kippenmestkorrels gaven een licht negatieve trend. Het object sojaschroot produceerde het meeste vruchten per m², terwijl dit bij het object kippenmestkorrels het minste was.

Foto 1: De toegepaste meststoffen: bloedmeel (1), kippenmestkorrels (2), sojaschroot (3), moutkiemen (4)

Figuur: bloedmeel, kippenmestkorrels, soja, moutkiemen

Bij de bakbeoordeling viel het nulobject echter wel door de mand; vooral naar bewaring toe scoorde dit object beduidend slechter dan de ander objecten. Ook naar stevigheid toe werd er een iets mindere score toegekend aan het nulobject. De vruchten bijbemest met bloedmeel vertoonden een goede bewaring, deze bijbemest met moutkiemen hadden naar het einde van de teelt een blekere kleur en scoorden iets minder in bewaring. Ook qua smaak kwam het nulobject er als minste uit, voornamelijk voor wat betreft smakelijkheid en zoetheid. De brix waarde was niet verschillend tussen de vier objecten.
Tijdens de gewasbeoordeling konden geen extremen opgemerkt worden. Bij de wortelbeoordeling bleek het wortelgestel van het nulobject minder ontwikkeld dan voor de andere objecten. Het wortelgestel van de planten bijbemest met sojaschroot scoorde wel goed voor wat de wortels betrof. De wortelknobbelaantasting leek het ergst in het object moutkiemen, en minder ernstig in het nulobject. Hieruit kan echter niet zoveel besloten worden, aangezien de proef niet aanlag in herhalingen.

Smaak
Nulobject minst smakelijk, allemaal te weinig zoet maar vooral nulobject, zuurheid geen significant verschil: allemaal redelijk ideaal qua zuurheid, geen significant in brix: allemaal rond de 4,1 ° Brix. Nulobject net iets te stevig. Bloedmeel, kippenmest en moutkiemen waren net iets te weinig stevig en significant minder stevig dan het nulobject. 

Bodem- en bladsapanalyses

De pH en de EC werden op regelmatige basis geanalyseerd. In de tabel is een gemiddelde van deze waarden voor elk object doorheen de tijd te zien. Hieruit bleek dat de EC waarde van het nulobject veel lager lag dan deze van de bemeste objecten. Een lage EC kan de oorzaak zijn van de mindere houdbaarheid en de minder smakelijke vruchten. Wanneer de EC-waarden tussen de bemeste objecten onderling vergeleken werden, kon er geen duidelijk verschil opgemerkt worden tussen plantaardige en dierlijke bemesting. De objecten bloedmeel en moutkiemen vertoonden een iets hogere EC, kippenmestkorrels en sojaschroot waren eerder lager in EC. Bij de pH waardes konden geen noemenswaardige verschillen opgemerkt worden.

In de grafiek die de nitraatgehaltes in de bodem weergeeft, was het heel duidelijk dat het nitraatgehalte bij het nulobject een stuk lager lag dan bij de andere objecten. Het object bloedmeel vertoonde een vrij hoge trend van nitraat in de bodem ten opzichte van de andere objecten. Tijdens het eerste deel van de proef was het object sojaschroot het laagste van de bemeste objecten. Vanaf week 19 was dit echter niet meer te merken. Het was duidelijk dat het ogenblik van een bijbemesting niet uit de grafiek kon gehaald worden. De effecten van de bijbemesting overlappen elkaar mogelijks. Voor de rest konden geen extremen opgemerkt worden.

Voor de bladsapanalyses werd telkens gelijktijdig een staal van het jongste volwassen, en het oudste vitale blad genomen. Er werden twee verschillende analysetechnieken toegepast. De sneltest werd uitgevoerd op de bladsteel, zoals in de literatuur beschreven. Bij deze grafieken kunnen bepaalde pieken in het oud blad, ook terug gevonden worden in dezelfde objecten in het jong blad. Bij extreme minima werd duidelijk dat deze in het oud blad op dat ogenblik nog net iets lager lagen dan in het jong blad. Dit kan verklaard worden doordat stikstof een mobiel element is. Globaal gezien lagen vooral het nulobject en het object bemest met kippenmestkorrels onderaan de curve en het object moutkiemen stak de kop op bij maximale waarden.

Bij kalium zagen we dezelfde tendens als bij de stikstofgrafiek: nulobject en moutkiemen vaak lagere waarden doorheen de tijd dan de andere objecten, moutkiemen af en toe hogere waarden. De waarden van nitraat schommelden feller als deze van kalium. Ondanks een gelijke hoeveelheid kalium toegediend werd aan elk object, liepen de curves toch niet analoog.

Bij de bladsapanalyses van Novacropcontrol werd een hele range aan elementen en parameters bepaald. De belangrijkste werden in grafiek weergegeven in het verslag, doorheen de tijd. De EC verliep voor jong en oud blad vrij gelijklopend. Hetgeen zichtbaar was in de bodem, reflecteerde zich in het gewas: de EC van het nulobject is opmerkelijk lager. In de grafieken van Novacropcontrol van nitraat en totaal N kon deze trend niet zo duidelijk opgemerkt worden. Een aantal meetpunten van het nulobject waren onverklaarbaar hoog ten opzichte van de bemeste objecten. De waarden van nitraat en totale stikstof bleven behoorlijk binnen de grenswaarden die het labo had opgesteld. Enkel tijdens de maand mei kon van een tekort gesproken worden. Dit werd tijdens de maand juni terug rechtgezet. De waarden van totale N voor jong en oud blad lagen doorheen de teelt dichter bij elkaar dan de nitraatwaarden. Bij de kaliumgrafiek sprong het object kippenmestkorrels er voornamelijk uit aangezien hier frequent lagere waarden gemeten werden. Ondanks het feit dat hetzelfde aantal eenheden gegeven werd, was de bron van kalium bij kippenmestkorrels wel verschillend, aangezien het om een samengestelde korrel ging. Dit zou een mogelijke verklaring kunnen zijn.

Kostprijs
Doorheen de drie jaren werd de bemesting telkens aangevuld op basis van bodemanalyses. De bijbemesting gebeurde dus telkens naar behoefte van de plant. Hieruit blijkt dat er tijdens deze drie teeltseizoenen het meest bemest werd in het object moutkiemen, en het minst in het object bloedmeel. Gedroogde kippenmestkorrels en sojaschroot zitten tussenin. Wanneer dit verrekend wordt met de indicatieve prijs per eenheid stikstof, kan gesteld worden dat drie jaar bemesten met moutkiemen duidelijk het duurst uitkomt, dit gevolgd door sojaschroot. Kostprijs voor bijbemesting met bloedmeel en gedroogde kippenmestkorrels ligt een pak lager en komt ongeveer uit op een gemiddelde kostprijs van 1000€/ha/jaar.

Besluit
De bemestingsproef ligt ondertussen drie jaar aan. Na drie jaar kan er geen duidelijk verschil waargenomen worden in opbrengst. Toch konden tijdens de teelt enkele tendensen opgemerkt worden bij het nulobject. De vruchten bewaren minder lang en zijn minder smakelijk, de wortels zijn ook minder ontwikkeld. De EC en het nitraatgehalte van het nulobject ligt dan ook een pak lager in vergelijking met de bemeste objecten. De bladsapanalyses geven veel data maar toch is het niet makkelijk om besluiten te trekken. Bij de sneltest nitraat kan bij lage gehaltes in het blad waargenomen worden dat het jonge blad het oude blad leeg trekt. Bij de analyses van Novacropcontrol zien we dat de curve van het kaliumgehalte van kippenmestkorrels afwijkt ten opzichte van de andere objecten, ondanks een zelfde hoeveelheid is toegediend. Hieruit blijkt dat niet elke bron van kalium even gemakkelijk opneembaar is. Wanneer er bemest wordt op basis van bodemanalyses doorheen de tijd, blijkt dat na drie jaar telen van biologische vruchtgroenten, er het meest bemest wordt met moutkiemen en het minst met bloedmeel. Uiteraard is de mineralisatiesnelheid van de verschillende organische korrelmeststoffen ook verschillend. Wanneer men zich baseert op de toegediende hoeveelheden gedurende drie jaar en de indicatieve kostprijs, blijkt dat bijbemesten met moutkiemen duidelijk het duurst is, gevolgd door sojaschroot. Bemesten met bloedmeel en kippenmestkorrels komt een stuk goedkoper uit.

Volledig rapport Rassenproef biologische trostomaat 2016

Samenwerking
Deze proef kwam tot stand met de financiële steun van de provincie Oost-Vlaanderen en de Vlaamse overheid, Departement Landbouw en Visserij

 

publicatiejaar2014
afdelingBiologisch glas
Teelt of thema
  • Tomaat
Print

Aantal keer bekeken (6902)/Commentaren (0)

Documenten

Links

x